Hieronder staan fragmenten van een aantal boeken van Koos Meinderts. De boeken waaruit de fragmenten afkomstig zijn, zijn te koop in de kinderboekwinkel of de betere boekhandel. De boeken zijn ook via deze website te bestellen. Voor prijzen en wijze van bestellen: Zie de rubriek winkel op deze website. Hij waste en schoor zich bij de pomp voor het huis en stak op koude dagen de open haard aan. is mijn vader lief voor mama, voor mijn broertje en mijn zus. drink ik zoet mijn melk met room. K-e-i-z-e-r Keizer houdt het niet meer uit in bed. Hij staat op en loopt naar de stoel waarop zijn kleren liggen. Hij raakt de leuning aan. 'Stoel,' zegt hij. Hij haalt de knikker uit de zak van zijn broek. 'Knikker,' zegt hij, en hij gaat aan zijn tafeltje zitten. Hij rolt de knikker heen en weer over het tafelblad. 'Tafel,' zegt hij. 'Ik zit op een stoel aan tafel. Ik rol een knikker heen en weer. Het is een rood-met-geel-en-groene knikker. Ik heb de knikker gevonden, of nee; de knikker heeft mij gevonden. Ik ben Keizer. Ik ben acht jaar. Mijn vader is hoedenmaker. Hij ligt te slapen. Als ik hem roep, dan komt hij. Hij komt altijd als ik roep. Maar ik roep hem niet. Hij moet slapen, want hij moet hard werken. Hij moet geld verdienen, anders gaat hij door het lint, net als de vader van Roos. Die is bakker. Drie vier, vijf de bakker sloeg zijn wijf. Dat is uit een liedje. Hoe het liedje precies gaat weet ik niet. En wat door het lint gaan is weet ik ook niet, Maar het klinkt niet goed. Ik denk dat je dan heel kwaad bent en dingen doet die je eigelijk niet wil doen, zoals dingen kapot maken of iemand pijn doen of slaan. Mijn vader slaat mij nooit. Ik hem wel, maar alleen voor de grap en hij wil het zelf. "Sla maar zo hard je kunt," zegt hij dan en als ik dat doe zegt hij: "Wat voel ik toch kriebelen?" Soms laat hij zich op de grond vallen: "Ik ga dood, ik ga dood," roept hij en dan blijft hij heel stil op de grond liggen met zijn ogen dicht en dan zegt hij niks meer. Maar daar weet ik wel wat op, dan kietel ik hem onder zijn oksels, daar kan hij niet tegen. Als ik hem nu zou kietelen, zou hij meteen wakker zijn. Mijn vader ligt in de kamer hiernaast. Dit is ons huis. Hier wonen wij en we gaan nooit meer weg hier. Hier horen wij thuis, aan de rand van het bos, vlak achter de duinen. Eerst had ik daar mijn lievelingsplek. Waar precies, zeg ik niet. Ga maar zoeken, en als je een veer in het zand vindt, heb je het gevonden. Het is een pauwenveer met een kaartje met mijn naam erop. Keizer. Ik heet Keizer.' En over Lucas. Over Lucas in de sneeuw. En over de kleur rood. Het rood van de nagels en lippen van Miss Blanche. Het rood van het haar van Isabel. En het rood van het bloed van de haas. Maar laten we beginnen met de sneeuw. En met Lucas natuurlijk. Het heeft gesneeuwd. Lucas weet het zeker. Hij hoort het aan de geluiden buiten. Ze klinken zachter dan gewoonlijk, gedempter. Hij staat op uit bed, schuift het gordijn op een kiertje en ziet dat zijn oren hem niet hebben bedrogen. Er ligt een dikke laag sneeuw over de wereld. Lucas blijft even bij het raam staan kijken en kleedt zich dan aan. Met zijn schoenen in de hand sluipt hij langs het kamertje van Thomas en Lea, zijn jongere broertje en zusje. Lucas laat hen slapen, hij wil de sneeuw voor zichzelf alleen hebben. Nu maar hopen dat zijn moeder niet wakker wordt. Zachtjes loopt hij de trap af, hij telt de treden. De zevende tree moet hij overslaan, dat is de kraaktree. In de keuken wil hij zijn schoenen aantrekken, maar hij bedenkt zich. In de kelderkast staan zijn laarzen, die trekt hij aan. Hij doet zijn sjaal om en zet zijn muts op. Voor hij naar buiten gaat, opent hij de koelkast, haalt het aangebroken pak melk uit het rek, zet het aan zijn mond en neemt een paar flinke teugen. Hij kijkt op de klok boven de kalender die op 31 december hangt, de laatste dag van het jaar. Het is nog vroeg. Lucas heeft de tijd aan zichzelf. Hij opent de deur naar de tuin en blijft bewegingloos op de drempel staan, verlamd door zoveel wit. Of is het angst die Lucas vastgenageld houdt op de drempel, eenzelfde opwindende angst die hij voelt als hij op school een nieuw schrift krijgt, een schrift waarin nog geen fouten staan en waarin ook geen fouten zullen komen, zolang je er maar niet in schrijft. Lucas schrikt op van een vroege ekster. Met een sierlijk boogje komt hij over de schutting aangevlogen, strijkt neer op het tuinpad, waar hij zenuwachtig heen en weer begint te lopen. De ekster doet hem denken aan het gedicht op de rouwkaart van zijn vader: zwart en wit op winters blad. Jij staat naast me en je vraagt: een ekster, wat betekent dat? klop het af en sla een kruis. En als er straks gebeld wordt, geven we dan thuis? Bij de poort kijkt Lucas om. Mijn voetstappen, denkt hij, daar heb ik gelopen. Hij gaat de poort door en steekt het veldje achter zijn huis over. Lucas kan zich bijna niet voorstellen dat dit hetzelfde veldje is waar hij zich deze lente verstopt hield in het hoge gras. De snoepwinkel van Zevensloten is een heruitgave van het gelijknamige boek dat in 1995 verscheen bij uitgeverij Ploegsma. Deze editie is een gewijzigde versie met nieuwe illustraties van Annette Fienieg. Het boek is uitgegeven in eigen beheer en verschijnt ter gelegenheid van de musical De snoepwinkel van Zevensloten van jeugdtheater Hofplein, premiere 23 februari 2007. Het boek gaat over het echtpaar Peer en Pien Batist, eigenaars van de snoepwinkel van Zevensloten. Zij maken hun snoep nog zelf, naar een eeuwenoud geheim familierecept. Eén van hun vaste klanten is tandarts Durk Sybrandy die altijd incognito snoep komt kopen. Niemand mag weten dat hij verslaafd is aan snoep. 'Momentje,' zegt Peer en loopt de winkel in, waar een struise dame zijn komst afwacht. Dit keer is er geen twijfel mogelijk. De struise dame die met overdreven hoge stem een half pondje roomsmoezen bestelt, is niemand minder dan tandarts Durk Sybrandy. Peer weegt het half pondje af en legt het zakje met smoezen voor de tandarts op de toonbank. 'Anders nog iets, mevrouwtje?' Hij kijk de verklede tandarts diep in de ogen en zegt: 'De jokkebrokken zijn in de reclame. Eentje proeven?' 'Nou, daar zeg ik geen nee tegen, meneer Batist.' 'Ach, zegt u toch Peer,' zegt Peer. 'Dat klinkt toch veel aardiger. En, smaakt-ie?' 'Lekker,' zegt Sybrandy, nog voor hij heeft geproefd. 'Jokkebrok!' zegt Peer lachend. 'Nee, echt Peer, ik meen het.' 'Peer!' zegt Peer. 'U zegt Peer tegen me.' 'Zo heet u toch?' 'Maar hoe u dat zegt. Zo zacht en teder.' 'Zacht en teder?' zegt de tandarts. 'Zoals alleen een vrouw dat kan, een heel lieve vrouw. Bent u een lieve vrouw? Zeg dat u lief bent.' 'Ik?' zegt de tandarts? 'Ja, ja, u ben tlief. Ik zie het aan uw ogen. Wat een mooie ogen heeft u!' Tandarts Sybrtandy weet niet waar hij moet kijken en kijkt dan maar naar de punt van zijn schoenen. O nee! Hij heeft zijn eigen schoenen aan. Bruine herenschoenen, maat 45, over een paar zwarte netkousen van zijn vrouw! Hioj moet zo snel mogelijk de winkel uit. Stel je voor dat Peer Batist ze ziet. Dan is hij er gloeiend bij. Hij ziet de Zevenslooter Courant al voor zich: Tandarts Sybrandy verkleed als vrouw, blijkt enorme zoetkauw. Uit: De snoepwinkel van Zevensloten, Duntulm 2007. Met illustraties van Annette Fienieg. Keizer en de schelpenzanger is het derde en laatste boek over Keizer, een fantasievol jongetje van acht jaar dat met zijn vader aan de rand van het bos woont, net achter de duinen. Op een dag ontmoet Keizer een vreemde man op het strand. De man bouwt tegen de duinen een huis van drijfhout, dat hij versiert met schelpen. De man zingt raadselachtige liedjes, is uiterlijk vrolijk en opgewekt, maar draagt een geheim verdriet met zich mee. Gaandeweg het verhaal komt Keizer achter welk geheim dat is. Een aantal spannende gebeurtenissen leiden ertoe dat de man zijn geheim niet langer kan wegstoppen en bijna zonder het te weten helpt Keizer hem met zijn verdriet in het reine te komen. Keizer is een ervaring rijker, maar en illusie armer: niets is, wat het lijkt. Eerder verschenen Keizer de verhalenvader (Vlag en Wimpel 2003) een Keizer en de knikkervis (Tiplijst Nederlandse kinderjury 2005, nominatie Kinderboekwinkelprijs 2005). Keizer hoort een zacht zingen. Hij blijft staan en houdt een hand bij zijn oor. Het zingen komt dichterbij, maar het is nog te veraf om het goed te kunnen horen. De woorden van het liedje waaien weg op de wind. In spring je tijd gaat in, ‘Mooi,’ zei Keizer. Het zachte zingen waarvoor Keizer het duin op was geklommen, klinkt opeens een stuk dichterbij. Hij kan nog steeds niet zien wie er zingt, maar hoort nu wel wat er wordt gezongen: En zo rijden wij te paard Als het liedje opnieuw wordt ingezet, komt eindelijk de zanger in beeld. Niet te paard en ook niet op een ezel, maar gewoon te voet over het strand. Een gewone man in een spijkerbroek en een schipperstrui, die niet op of omkijkt en op de maat van het liedje zijn voetstappen in het zand drukt. Hij draagt een houten, met schelpen versierde stok en een grote plastic boodschappentas. Keizer blijft de zingende man nakijken tot deze uit zijn blikveld is gemarcheerd. Langzaam vervaagt het liedje weer tot een zacht zingen. Keizer is nieuwsgierig waar de zingende man naar op weg is en hij zou hem graag van een veilig afstandje een eindje gevolgd zijn, maar hij moet naar school. Hij is al aan de late kant. Het grote boek van Kuik en Vark is een bundeling van alle eerder verschenen verhalen over Kuik en Vark ( Kuik en Vark en het vergeten verhaal , Kuik en Vark en de verdronken maan en Kuik en Vark ), aangevuld met een aantal nieuwe verhalen. Annette Fienieg heeft het boek opnieuw en rijkelijk geïllustreerd. Een lange dag Het is vroeg in de morgen. De zon schijnt door een kier van het gordijn, precies op het gezicht van Vark. ‘Opstaan, Vark,’ lijkt de zon te zeggen. ‘De dag is begonnen.’ Vark stoot zijn vriend aan. ‘We moeten eruit, Kuik,’ zegt hij. ‘Wie zegt dat?’ mompelt Kuik. ‘De zon zegt dat.’ Keizer en de knikkervis is het tweede boek over Keizer een fantasievol jongetje van acht jaar dat met zijn vader aan de rand van het bos woont, net achter de duinen. Keizer heeft een geheim vriendinnetje Roos, dat zomaar van de ene op de andere dag is verhuisd, zonder dat iemand weet waar Roos naar toe is verhuisd. Het heeft iets met haar vader te maken die bakker is en schulden heeft en daarvoor gevlucht schijnt te zijn. Keizers vader is hoedenmaker, hij verkoopt zijn hoeden aan huis en als hij ziek wordt maakt Keizer zich zorgen. Moet hij net als Roos ook gaan verhuizen? Op een dag hoort hij dat mensen in de kerk soms een kaarsje branden en een wens doen. Dat gaat hij ook doen. Rechts van het grote altaar is een zijaltaar. Daar branden kaarsen bij een Mariabeeld. Naar haar is de kerk genoemd: Onze Lieve Vrouwe. Maria ziet er inderdaad lief uit, vindt Keizer. Ze heeft een lieve glimlach om haar mond. Hij pakt een kaars uit de bak en wil hem aansteken. Dan ziet hij opeens wat er op de zijkant van de bak staat: 50 cent. Het kost geld en hij heeft geen geld. Niet bij zich. Wat nu? Zou het voor één keer gratis mogen? Of is dat stelen en werkt het dan niet? Keizer kijkt omhoog naar Maria, alsof hij van haar een antwoord verwacht. Ze kijkt zo lief, het mag vast van haar, denkt Keizer. (...) Dan haalt Keizer zijn knikker uit zijn zak. 'Kunt u hem goed zien, Maria? Het is een heel bijzondere knikker. Een keizer. Ik heet ook Keizer, omdat ik met de keizersnee ben geboren. Eigenlijk heet ik Arie, maar zo noemt niemand me. Mijn vader is ziek, hij heeft longontsteking, en nu kan hij geen hoeden maken. Dat moet niet te lang duren, want anders verdient hij niks. En dan kan hij schulden krijgen, net als de vader van Roos. Die is door het lint gegaan. Ze zeggen dat hij te veel maanzaad heeft gegeten, daar kun je gek van worden. Mijn vader maakt hoeden. Vroeger kon je daar ook gek van worden, heeft hij me pas verteld. Echt waar, dat kwam van het kwik dat ze gebruikten om hoeden te stijven of zoiets. Dat is giftig. Als je daar teveel van inademt, word je ziek. Hoedenmakersgekte het dat. Maar dat heeft mijn vader niet. Hij moet wel beter worden, hoor. Anders moeten we verhuizen. En ik wil niet verhuizen. Dan weet niemand waar je bent. Weet u waar Roos is?' Uit: Keizer en de knikkervis , Leopold 2004. Met illustraties van Annette Fienieg. Keizer en de verhalenvader. Keizer woont met zijn vader aan de rand van het bos, net achter de duinen. Zijn moeder heeft hij nauwelijks gekend, maar ze leeft voort als zeemeermin in een van de vele verhalen van zijn vader. Soms, als Keizer op zijn geheime plek in de duinen uitkijkt over zee, hoopt hij dat zijn moeder zal oprijzen uit de golven. Tegen beter weten in. Want van zijn vader weet hij: het leven is een verhaal, maar niet altijd een sprookje... Keizer van het duin Hier zit Keizer het liefst. In zijn eentje. Dit is zijn plek. Eeen paar maanden geleden heeft hij hem ontdekt, na een ruzie met zijn vader. Waarover de ruzie ging, weet hij niet meer. Hij weet alleen dat hij heel erg boos was. Hij was het huis uitgestampt en had zich willen opsluiten in de schuur achter in de tuin, maar op het laatste moment had hij daarvan afgezien (...), Hij wilde liever wat langer boos blijven. Hij was doorgerend, de tuin uit. Maar goed ook, anders had hij zijn lievelingsplek in de duinen misschien wel nooit ontdekt. Hier op het duin kan niemand hem zien en hij ziet alles. Ik ben er wel, ik ben er niet, zo voelt het. Hij heeft een prachtig uitzicht over het strand beneden hem en over de zee die altijd dezelfde is, maar er elke dag weer anders uitziet. Vandaag is de zee leeg en grijs als potlood. Er staat nauwelijks wind en niets beweegt. Keizer is er stiol van. Maar nog niet stil genoeg, vindt hij. Hij zou een steen moeten zijn. Eeen steen ís er en meer niet. Zoals het strand en de zee er zijn en de meeuwen boven de zee. Als hij zou zou blijven zitten, zou hij vanzelf een steen worden, hij weet het zeker. Net zo zeker als hij weet dat hij kan vliegen, ook al gelooft niemand hem. Zelfs Roos niet en Roos is zijn vriendinnetje. In het geheim. 'Ik kan vliegen, niet doorvertellen.' 'Dat geloof je zeker zelf.' 'Ik gelóóf het niet, ik weet het zeker.' 'Laat eens zien dan.' Hij had geweigerd. Hij wilde best een keertje vliegen, maar niet om te bewijzen dat hij het kon. Voor haar niet, voor niemand niet. Dan ging het niet. Maar hij weet het zeker: er komt een dag dat hij loskomt van de grond en zomaar wegvliegt. Alsof het niets is. Uit: Keizer en de verhalenvader, Leopold 2002. Met illustraties van Annette Fienieg. Leve het nijlpaard! is een verzameling grappige, vrolijke, absurde en ook ontroerende kinderliedjes die Harrie Jekkers en Koos Meinderts schreven voor onder ander Klein Orkest en Kinderen voor Kinderen. De bundel bevat naast losse teksten ook liedjes van de CD Roltrap naar de maan, Olie Bol van Krentenkoek en Er ging een vis uit fietsen. Zoals de zee Het was een warme zomerdag Het bleef nog heel lang licht We hadden thuis weer ruzie Ik sloeg de voordeur dicht. Ik ben op de fiets gestapt En trapte blind vooruit Het liefste fietste ik Die dag de wereld uit. Ik fietste naar de duinen Mijn woede fietst mee Ik stopte op de hooste top En toen zag ik de zee. Zoals de zee daar lag Die mooie zomerdag Ik wou dat ik zo was Een rimpelloze plas. Het lukt mij nooit om kalm te blijven Ook al neem ik het me voor Er steekt altijd wel een storm op En die raast en tiert maar door. Dan ben ik niet te houden Dan sla ik om me heen En gaat de wind weer liggen Voel ik me hopeloos alleen. Ik bleef nog heel lang kijken Naar die rimpelloze zee Het was al bijna donker Toen ik naar huis toe reed. Mijn moeder stond te wachten Ik dacht nu zwaait er wat Maar mijn moeder die moest huilen En noemde mij een schat. Ik zei dat ik heel moe was Ik wilde graag naar bed Mijn vader heeft mijn fiets In het schuurtje weggezet. In bed sloot ik mijn ogen En weet je wat ik zag: Een rimpelloze zee Op een ware zomerdag. Zoals de zee daar lag Die mooie zomerdag Ik wou dat ik zo was Een rimpelloze plas. Het lukt mij nooit om kalm te blijven Ook al neem ik het me voor Er steekt altijd wel een storm op En die raast en tiert maar door. Dan ben ik niet te houden Dan sla ik om me heen En gaat de wind weer liggen Voel ik me hopeloos alleen. Uit: Leve het nijlpaard! De Harmonie 2001. Met illustraties van Annette Fienieg. De club van lelijke kinderen verscheen voor het eerst in 1987. Het boek is regelmatig is herdrukt en is in twee pocketversies verschenen, als Boektopper en als Jonge Lijster (2006). Het boek is in 2004 door Koos Meinderts en Harrie Jekkers bewerkt tot musical voor jeugdtheater Hofplein, waarna verschillende jeugdtheatergroepen het op hun repertoire zetten. De club van Lelijke Kinderen gaat over een fictief land waar generaal Isimo op slinkse wijze aan de macht is gekomen. Hij maakt korte metten met loslopende honden en katten, zwervers en straatmuzikanten. Alles wat lelijk is moet weg, dus ook de lelijke kinderen. Onder het mom van een schoolreisje worden ze opgepakt en met bussen afgevoerd naar een geheime locatie. Paul en Ellen weten te ontsnappen en duiken onder bij een wel heel bijzondere vrouw. Een extra journaal En het gebeurde in die dagen dat er een bevel uitging van generaal Isimo om alle lelijke kinderen van het land op te pakken. Het bericht dat werd uitgezonden in een extra journaal, sloeg in als een bom en stichtte alom verwarring. Onmiddellijk nadat generaal isimo was uitgesproken met de bekende woorden: 'Ik heb gezegd. Punt uit!' brak er in duizenden huiskamers een oorverdovend lawaai van stemmen los. 'Waanzin!' klonk het in menig huisgezin. 'De generaal is gek geworden!' Maar er waren ook andere geluiden te horen: 'Het werd tijd! Voor mijn part zetten ze in één moeite door alle kinderen achter slot en grendel.' In weer andere huiskamers gingen stemmen van ongeloof op: 'Is het niet wat vroeg in het jaar voor een 1-april grap?' En ten slotte waren er mensen die zeiden: 'Ze doen maar. Ik heb geen kinderen.' (...) Een week verstreek en geleidelijk aan begonnen de meeste mensen het bevel te vergeten. Het leven hernam snel zijn gewone gang. (...) Totdat op zekere dag, een maand na uitzending van het extra-journaal, in elk huis van het hele land een brief door de brievenbus gleed van niemand minder dan generaal Isimo. Uit: De club van lelijke kinderen, Ploegsma 1987. Met illustraties van Annette Fienieg. |