Hieronder staan fragmenten van een aantal boeken van Koos Meinderts. De boeken waaruit de fragmenten afkomstig zijn, zijn te koop in de kinderboekwinkel of de betere boekhandel. De boeken zijn ook via deze website te bestellen. Voor prijzen en wijze van bestellen: Zie de rubriek winkel op deze website.



Het regent zonlicht
is de tweede gedichtenbundel van Koos Meinderts en Annette Fienieg bij uitgeverij Lemniscaat, schitterend vormgegeven door Leentje van Wirdum. Deze keer hebben auteur en illustrator in omgekeerde volgorde gewerkt. Annette Fienieg maakte kleurrijke poëtische prenten. Koos Meinderts schreef er vervolgens gedichten bij. Over een zeemeermin op weg naar Kopenhagen, over een jongen die mooie meisjes spaart, over een koning die uit wandelen gaat, over Maite Maria die wacht op haar soldaat en over een moeder die een lied zingt voor haar dochtertje van glas. Net als bij Verdriet is drie sokken hoort bij deze bundel een CD, geproduceerd en Thijs Borsten, die een groot aantal gedichten op muziek heeft gezet. Ook dit keer leverde dat een prachtige CD op waaraan topmuzikanten als Stefan Blankenstijn en Louis Lanzing hun medewerking hebben verleend. De liedjes worden dit keer gezongen door Jeroen Zijlstra en Leine.

Het regent zonlicht

Het regent zonlicht
op de wereld
op het meisje in het gras.

Hoor haar moeder
zingt een liedje
voor haar dochtertje van glas.

God behoed haar
voor de kraaien
en de allereerste kras.

Voor de hobbels
en de kuilen
en het snijden van het gras.


Hemel op aarde


Het was afgelopen zomer
we waren in Italië op reis
toen vonden we bij toeval
een hoekje van het paradijs.

We dronken en we aten
en we zaten niets te doen,
er was brood en er was wijn
en er was grenadine groen.

Niemand hoefde iets te zeggen
alles sprak vanzelf die dag.
Het was alsof die zomer
de hemel daar op aarde lag.


Uit: Het regent zonlicht, Lemniscaat 2010.


De man in de wolken is een klassiek verhaal voor alle leeftijden over schoonheid en troost en bezit en bezwaar, geschreven door Koos Meinderts en prachtig geïllustreerd door Annette Fienieg. Een waardige opvolger van het al even klassieke prentenboek De Vuurtoren, het eerste prentenboek van Annette Fienieg en Koos Meinderts bij Lemniscaat. De man in de wolken is het verhaal van een volmaakt gelukkige man, die zijn geluk dankt aan een prachtig schilderij. De man deelt zijn geluk met de mensen uit het dorp beneden in het dal, die troost putten uit het schilderij.
Als op een dag een vreemdeling het schilderij onder ogen krijgt en er een meesterwerk in herkent dat heel veel geld waard is, verandert alles...
De man in de wolken is gebaseerd op het gelijknamige lied van Harrie Jekkers en Koos Meinderts.

De berg stond er altijd al, de man kwam pas later. Niemand in het dorp beneden in het dal wist wie hij was, hoe hij heette en waar hij vandaan kwam.
Opeens was hij er, alsof hij uit de lucht was komen vallen. Maar toen hij er eenmaal woonde in zijn houten huis hoog op de berg, leek het alsof hij er altijd al was geweest.
De man in de wolken zo werd hij genoemd.

De man in de wolken stond elke morgen gelijk met de zon op, opende het raam en wenste alles en iedereen goedemorgen: de vogels in de lucht, de dieren in het veld en de mensen in het dorp beneden in het dal.

Hij waste en schoor zich bij de pomp voor het huis en stak op koude dagen de open haard aan.
D
an ging hij zitten op zijn stoel, elke dag weer, en keek naar een schilderij: een landschap zo mooi, zo schitterend leeg, zo moest het geweest zijn toen de wereld begon. Je kon zien hoe alles een kleur en een vorm kreeg in het licht van de opgaande zon.

Uit: De man in de wolken, Lemniscaat 2010, met illustraties in kleur van Annette Fienieg



Ballade van de Dood is een sprookje op rijm van Harrie Jekkers en Koos Meinderts, waarin een koning uit angst om te sterven de Dood opsluit in een glazen kooi: Nog nooit was het volk zo gelukkig geweest, jaren en jaren vierde men feest. De aanvankelijke euforie over een leven zonder einde slaat echter om in zinloze verveling: En honderd jaar later was de lol ervan af en ging men weer verlangen naar de rust van het graf. De Dood als verlosser moet zijn werk weer kunnen doen. De koning opent de kooi en sterft als eerste in de armen van de gretige Dood. 'Leve de Dood!' riep het volk dolgelukkig en ze leefden nog lang en stierven...gelukkig!'
De oerversie van Ballade van de Dood schreef Koos Meinderts al in 1983, in zijn debuutboek Mooi Meegenomen . Jaren later maakte hij samen met Harrie Jekkers een berijmde versie van het verhaal dat als lied terechtkwam op de CD Roltrap naar de maan van Klein Orkest. Ballade van de Dood is een tijdloos verhaal voor alle leeftijden en verschijnt na zoveel jaren eindelijk als prentenboek, schitterend geïllustreerd door de Zuidafrikaanse illustrator Piet Grobler, o.a. bekend van de de prentenboeken Eén slokje, Kikker! en Het vogeltjes-ABC.
Bekroond met een Zilveren Griffel 2009 en een Vlag & Wimpel 2009 voor de illustraties.

Er was een een koning, machtig en groot
en die had slechts één vijand en dat was de Dood.
Waarom moest de Dood toch zijn leven bederven,
waarom was hij zo bang, zo bang om te sterven?
De koning ontbood toen al zijn geleerden
die te paard en per koets aan het hof arriveerden.
'Morgen, geleerden,' zei de koning beleefd,
'ik zit met een vraag waar niemand antwoord op heeft.'

Uit: Ballade van de Dood, Lemniscaat september 2008, met illustraties in kleur van Piet Grobler.


Verdriet is drie sokken. Ter gelegenheid van het thema van de kinderboekenweek 2008 (poëzie) heeft Koos Meinderts zijn mooiste gedichten verzameld, oude en nieuwe.
Verdriet is drie sokken is een bundel bedrieglijk eenvoudige poëzie, met afwisselend vrolijke en ontroerende gedichten over liefde en verlangen, over vriendschap, angst en dood, schitterend geïllustreerd door Annette Fienieg.
Bij het boek hoort een CD waarop Thijs Borsten een groot aantal liedjes op muziek heeft gezet, gezongen door Fay Lovsky en Harrie Jekkers. Aan de CD werkten o.a mee Stefan Blankestijn (akoustisch gitaar), Eric Vaarzon Morel (flamencogitaar) en Eric Vloeimans (trompet).
Genomineerd voor de Kinderboekwinkelprijs 2009


Droomhuis

Weet je waar ik woon,
in het droomhuis bij de boom.
Met een vader en een moeder
en een broertje en een zus
en we drinken limonade
met een koekje en een kus

En we springen en we dansen
en we zingen blij een lied
en je hoeft er niet te schreeuwen
of te huilen van verdriet.

In het droomhuis bij de boom

is mijn vader lief voor mama,

voor mijn broertje en mijn zus.
in het droomhuis bij de boom

drink ik zoet mijn melk met room.

Uit: Verdriet is drie sokken, Lemniscaat augustus 2008. Met illustraties in kleur van Annette Fienieg.


Keizer is een bundeling van drie eerdere boeken over Keizer: Keizer en de verhalenvader (2002) Keizer en de knikkervis (2004) en Keizer en de schelpenzanger (2005), uitgegeven door Lemniscaat ter gelegenheid van het 25-jarig jubiluem van Koos Meinderts.
Keizer die eigenlijk Arie heet woont met zijn vader achter de duinen, aan de rand van het bos. Zijn vader is hoedenmaker en kan prachtig vertelllen. Het mooiste verhaal gaat over Keizers moeder die op een dag uit het leven van Keizer is gewandeld, maar voortleeft als zeemeermin. Het schijnbaar alledaagse leven van Keizer is vol geheimen, van zijn geheime schuilplaats in de duinen tot aan Roos, zijn geheime vriendinnetje dat zomaar van de ene op de andere dag gaat verhuizen; niemand weet waarheen. En dan is er ook nog de schelpenzanger, een raadselachtige man die op het strand woont en zich vrolijk voordoet, maar in werkelijkheid een geheim verdriet met zich meedraagt. Keizer helpt hem zijn verdriet te overwinnen, gewoon door te zijn wie hij is: Keizer een dromerige jongen die eigenlijk Arie heet. Trouw schreef over de boeken van Keizer: 'Ze verdienen het een prominente plaats te krijgen in de Nederlandse jeugdliteratuur.' Dat hebben ze met deze trilogie nu ook gekregen.

K-e-i-z-e-r

Keizer is zojuist wakker geworden. Hij voelt zich raar. Alsof hij niet weet meer wie hij is en waar hij is. Belachelijk. Natuurlijk weet hij wie hij is. Keizer, hij is Keizer. En hij ligt in bed, in de slaapkamer naast die van zijn vader. Hij knipt zijn bedlampje aan en spreekt zijn naam een aantal keren achter elkaar uit, steeds op een andere manier, alsof hij op zoek is naar de juiste betekenis. Het levert niets op. Integendeeel. Zijn naam is een leeg woord geworden van zes loze letters: k-e-i-z-e-r. (...)

Keizer houdt het niet meer uit in bed. Hij staat op en loopt naar de stoel waarop zijn kleren liggen. Hij raakt de leuning aan. 'Stoel,' zegt hij. Hij haalt de knikker uit de zak van zijn broek. 'Knikker,' zegt hij, en hij gaat aan zijn tafeltje zitten. Hij rolt de knikker heen en weer over het tafelblad. 'Tafel,' zegt hij. 'Ik zit op een stoel aan tafel. Ik rol een knikker heen en weer. Het is een rood-met-geel-en-groene knikker. Ik heb de knikker gevonden, of nee; de knikker heeft mij gevonden. Ik ben Keizer. Ik ben acht jaar. Mijn vader is hoedenmaker. Hij ligt te slapen. Als ik hem roep, dan komt hij. Hij komt altijd als ik roep. Maar ik roep hem niet. Hij moet slapen, want hij moet hard werken. Hij moet geld verdienen, anders gaat hij door het lint, net als de vader van Roos. Die is bakker. Drie vier, vijf de bakker sloeg zijn wijf. Dat is uit een liedje. Hoe het liedje precies gaat weet ik niet. En wat door het lint gaan is weet ik ook niet, Maar het klinkt niet goed. Ik denk dat je dan heel kwaad bent en dingen doet die je eigelijk niet wil doen, zoals dingen kapot maken of iemand pijn doen of slaan. Mijn vader slaat mij nooit. Ik hem wel, maar alleen voor de grap en hij wil het zelf. "Sla maar zo hard je kunt," zegt hij dan en als ik dat doe zegt hij: "Wat voel ik toch kriebelen?" Soms laat hij zich op de grond vallen: "Ik ga dood, ik ga dood," roept hij en dan blijft hij heel stil op de grond liggen met zijn ogen dicht en dan zegt hij niks meer. Maar daar weet ik wel wat op, dan kietel ik hem onder zijn oksels, daar kan hij niet tegen. Als ik hem nu zou kietelen, zou hij meteen wakker zijn. Mijn vader ligt in de kamer hiernaast. Dit is ons huis. Hier wonen wij en we gaan nooit meer weg hier. Hier horen wij thuis, aan de rand van het bos, vlak achter de duinen. Eerst had ik daar mijn lievelingsplek. Waar precies, zeg ik niet. Ga maar zoeken, en als je een veer in het zand vindt, heb je het gevonden. Het is een pauwenveer met een kaartje met mijn naam erop. Keizer. Ik heet Keizer.'

Uit: Keizer, Lemniscaat 2008


Lucas in de sneeuw. Het is de laatste dag van het jaar, de wereld slaapt nog. Lucas loopt in de vroege ochtend door de sneeuw en overdenkt het afgelopen jaar. Het liefst wil hij weg en nooit meer terugkomen, of de tijd terugdraaien naar het voorjaar toen alles nog goed was en zijn vader nog leefde. De sneeuw heeft een zuivere werking op zijn gemoed en de vondst van een gewonde haas in de duinen helpt hem om met zichzelf en zijn verdriet in het reine te komen.


Dit verhaal gaat over sneeuw.

En over Lucas.

Over Lucas in de sneeuw.

En over de kleur rood.

Het rood van de nagels en lippen van Miss Blanche.

Het rood van het haar van Isabel.

En het rood van het bloed van de haas.

Maar laten we beginnen met de sneeuw.

En met Lucas natuurlijk.


1.

Het heeft gesneeuwd. Lucas weet het zeker. Hij hoort het aan de geluiden buiten. Ze klinken zachter dan gewoonlijk, gedempter. Hij staat op uit bed, schuift het gordijn op een kiertje en ziet dat zijn oren hem niet hebben bedrogen.

Er ligt een dikke laag sneeuw over de wereld. Lucas blijft even bij het raam staan kijken en kleedt zich dan aan. Met zijn schoenen in de hand sluipt hij langs het kamertje van Thomas en Lea, zijn jongere broertje en zusje. Lucas laat hen slapen, hij wil de sneeuw voor zichzelf alleen hebben.

Nu maar hopen dat zijn moeder niet wakker wordt. Zachtjes loopt hij de trap af, hij telt de treden. De zevende tree moet hij overslaan, dat is de kraaktree.

In de keuken wil hij zijn schoenen aantrekken, maar hij bedenkt zich. In de kelderkast staan zijn laarzen, die trekt hij aan. Hij doet zijn sjaal om en zet zijn muts op.

Voor hij naar buiten gaat, opent hij de koelkast, haalt het aangebroken pak melk uit het rek, zet het aan zijn mond en neemt een paar flinke teugen. Hij kijkt op de klok boven de kalender die op 31 december hangt, de laatste dag van het jaar. Het is nog vroeg. Lucas heeft de tijd aan zichzelf.

Hij opent de deur naar de tuin en blijft bewegingloos op de drempel staan, verlamd door zoveel wit. Of is het angst die Lucas vastgenageld houdt op de drempel, eenzelfde opwindende angst die hij voelt als hij op school een nieuw schrift krijgt, een schrift waarin nog geen fouten staan en waarin ook geen fouten zullen komen, zolang je er maar niet in schrijft.

Lucas schrikt op van een vroege ekster. Met een sierlijk boogje komt hij over de schutting aangevlogen, strijkt neer op het tuinpad, waar hij zenuwachtig heen en weer begint te lopen.

De ekster doet hem denken aan het gedicht op de rouwkaart van zijn vader:


Er zit een ekster in de tuin,

zwart en wit op winters blad.

Jij staat naast me en je vraagt:

een ekster, wat betekent dat?


Verdriet, geluk, geboorte, dood –

klop het af en sla een kruis.

En als er straks gebeld wordt,

geven we dan thuis?


Lucas kijkt naar de sporen die de ekster achterlaat in de sneeuw en komt dan zelf ook in beweging. Hij stapt de sneeuw in en loopt het pad af naar de poort. De ekster vliegt voor hem uit en gaat op de schutting van de buren zitten.

Bij de poort kijkt Lucas om.

Mijn voetstappen, denkt hij, daar heb ik gelopen.

Hij gaat de poort door en steekt het veldje achter zijn huis over. Lucas kan zich bijna niet voorstellen dat dit hetzelfde veldje is waar hij zich deze lente verstopt hield in het hoge gras.

Uit: Lucas in de sneeuw, Lemniscaat februari 2008. Met illustraties in kleur van Annette Fienieg.


De vuurtoren is een prentenboek voor alle leeftijden met schitterende illustraties van Annette Fienieg. De vuurtoren vertelt het verhaal van oma die als klein meisje droomt ooit in de ronde kamer te wonen.

Oma is oud, maar de vuurtoren is ouder, veel ouder. Hij stond er al toen oma een jong meisje was en nog in het dorp achter de duinen woonde. Ze droomde ervan om later als ze groot was in de ronde kamer te wonen, hoog in de vuurtoren. En haar droom kwam uit, want in de ronde kamer woonde Jonas, de zoon van de vurtorenwachter, en Jonas droomde van oma die toen nog geen oma was, maar een vrolijk meisje met appelrode wangen.
O dacht Jonas, als ik ooit nog eens die wangen mocht kussen. En dat mocht hij. Jaren later, na een dansavond in het dorpshuis en Jonas mocht nog veel meer kussen: haar haar, haar oortje met haar haar ervoor, haar hals en haar herfstrode mond.
Jonas vroeg haar mee naar het stadhuis en de kerk en tilde haar over de drempel van de vuurtoren en droeg haar in zijn armen de lange, lange trap op naar de ronde kamer, waar oma die nog geen steeds geen oma was, maar een mooie, jonge vrouw, uitkeek over zee en een nieuwe droom droomde.
Kleine Jonas heette haar droom en kleine Jonas kwam, op een mooie dag in het vroege voorjaar, een grappig jongetje met lieve oortjes die ’s avonds als hij moe was gloeiend rood werden, als twee lantaarntjes van vlees.


Uit: De vuurtoren, Lemniscaat 2007. Met illustraties van Annette Fienieg

In 2008 verscheen de tweede druk van het boek, nu met DVD, een ritmische montage van de prenten van Annette Fienieg, ingesproken door de schrijver en met muziek van Thijs Borsten die het filmpje ook heeft gemaakt en geproduceerd. Het filmpje is ook te zien op You Tube.

De snoepwinkel van Zevensloten is een heruitgave van het gelijknamige boek dat in 1995 verscheen bij uitgeverij Ploegsma. Deze editie is een gewijzigde versie met nieuwe illustraties van Annette Fienieg. Het boek is uitgegeven in eigen beheer en verschijnt ter gelegenheid van de musical De snoepwinkel van Zevensloten van jeugdtheater Hofplein, premiere 23 februari 2007. Het boek gaat over het echtpaar Peer en Pien Batist, eigenaars van de snoepwinkel van Zevensloten. Zij maken hun snoep nog zelf, naar een eeuwenoud geheim familierecept. Eén van hun vaste klanten is tandarts Durk Sybrandy die altijd incognito snoep komt kopen. Niemand mag weten dat hij verslaafd is aan snoep.

'Momentje,' zegt Peer en loopt de winkel in, waar een struise dame zijn komst afwacht. Dit keer is er geen twijfel mogelijk. De struise dame die met overdreven hoge stem een half pondje roomsmoezen bestelt, is niemand minder dan tandarts Durk Sybrandy.
Peer weegt het half pondje af en legt het zakje met smoezen voor de tandarts op de toonbank. 'Anders nog iets, mevrouwtje?'
Hij kijk de verklede tandarts diep in de ogen en zegt: 'De jokkebrokken zijn in de reclame. Eentje proeven?'
'Nou, daar zeg ik geen nee tegen, meneer Batist.'
'Ach, zegt u toch Peer,' zegt Peer. 'Dat klinkt toch veel aardiger. En, smaakt-ie?'
'Lekker,' zegt Sybrandy, nog voor hij heeft geproefd.
'Jokkebrok!' zegt Peer lachend.
'Nee, echt Peer, ik meen het.'
'Peer!' zegt Peer. 'U zegt Peer tegen me.'
'Zo heet u toch?'
'Maar hoe u dat zegt. Zo zacht en teder.'
'Zacht en teder?' zegt de tandarts.
'Zoals alleen een vrouw dat kan, een heel lieve vrouw. Bent u een lieve vrouw? Zeg dat u lief bent.'
'Ik?' zegt de tandarts?
'Ja, ja, u ben tlief. Ik zie het aan uw ogen. Wat een mooie ogen heeft u!'
Tandarts Sybrtandy weet niet waar hij moet kijken en kijkt dan maar naar de punt van zijn schoenen. O nee! Hij heeft zijn eigen schoenen aan. Bruine herenschoenen, maat 45, over een paar zwarte netkousen van zijn vrouw! Hioj moet zo snel mogelijk de winkel uit. Stel je voor dat Peer Batist ze ziet. Dan is hij er gloeiend bij. Hij ziet de Zevenslooter Courant al voor zich: Tandarts Sybrandy verkleed als vrouw, blijkt enorme zoetkauw.

Uit: De snoepwinkel van Zevensloten,
Duntulm 2007. Met illustraties van Annette Fienieg.

Keizer en de schelpenzanger is het derde en laatste boek over Keizer, een fantasievol jongetje van acht jaar dat met zijn vader aan de rand van het bos woont, net achter de duinen.

Op een dag ontmoet Keizer een vreemde man op het strand. De man bouwt tegen de duinen een huis van drijfhout, dat hij versiert met schelpen. De man zingt raadselachtige liedjes, is uiterlijk vrolijk en opgewekt, maar draagt een geheim verdriet met zich mee. Gaandeweg het verhaal komt Keizer achter welk geheim dat is. Een aantal spannende gebeurtenissen leiden ertoe dat de man zijn geheim niet langer kan wegstoppen en bijna zonder het te weten helpt Keizer hem met zijn verdriet in het reine te komen. Keizer is een ervaring rijker, maar en illusie armer: niets is, wat het lijkt.

Eerder verschenen Keizer de verhalenvader (Vlag en Wimpel 2003) een Keizer en de knikkervis (Tiplijst Nederlandse kinderjury 2005, nominatie Kinderboekwinkelprijs 2005).

Een ezel zonder staart

Keizer hoort een zacht zingen. Hij blijft staan en houdt een hand bij zijn oor. Het zingen komt dichterbij, maar het is nog te veraf om het goed te kunnen horen. De woorden van het liedje waaien weg op de wind.
Keizer klimt het duin op en kijkt in de richting van waar het zingen komt. Niemand te zien. Het strand is leeg. Alsof het liedje zich heeft losgezongen van de zanger en vrij door de lucht zweeft. Misschien is het de wind zelf die zijn lied zingt, denkt Keizer. Of anders de zee.
De wind en de zee en het strand zijn ooit als lied begonnen. Dat heeft zijn vader hem verteld, een poosje geleden, toen Keizer hem vroeg of hij geloofde dat God de wereld had geschapen.
‘Wat er in de bijbel staat is één verhaal,’ zei Keizers vader. ‘Maar zeker niet het enige. Zo is er een verhaal dat vertelt dat de wereld tot leven is gezongen. Lang geleden, in de droomtijd, ver voor onze tijd.’
Keizer had daar graag bij willen zijn. Hij zou meteen het lied van de zee en het strand en de duinen hebben gezongen. En hij zou het bos tot leven hebben gezongen, met alle bomen erin en natuurlijk ook het huis waarin hij woont, samen met zijn vader. Hij bedenkt dat zijn gezongen wereld heel erg zou lijken op de wereld waarin hij nu leeft. Hoewel…
Keizer denkt aan zijn moeder. Zijn moeder is dood, ze is verdronken, jaren geleden. Keizer was nog maar een baby. Hij moest nog één jaar worden. Echte herinneringen heeft hij niet aan haar, maar toch leeft ze voor hem. Dat komt door zijn vader. Die houdt haar levend, in zijn verhalen. ‘Ik ben niet zo’n zanger, Keizer. Ik vertel liever. Je moeder, die kon mooi zingen. Lang voor je er was, droomde ze en zong ze al van je en ze is blijven dromen en zingen, net zo lang tot je kwam.’
‘Wat zong ze dan?’ wilde Keizer weten en toen begon zijn vader te zingen:

In spring je tijd gaat in,
je ogen bruin of blauw.
In spring het leven in,
een zee van tijd voor jou.
Uit spruit, kom op vooruit,
je weet niet wat je ziet.
Spring dans, grijp je kans
en zing je eigen lied.

‘Mooi,’ zei Keizer.
‘Je moeder zong het vele malen mooier.’

Het zachte zingen waarvoor Keizer het duin op was geklommen, klinkt opeens een stuk dichterbij. Hij kan nog steeds niet zien wie er zingt, maar hoort nu wel wat er wordt gezongen:

En zo rijden wij te paard
Op een ezel, op een ezel
En zo rijden wij te paard
Op een ezel zonder staart

Als het liedje opnieuw wordt ingezet, komt eindelijk de zanger in beeld. Niet te paard en ook niet op een ezel, maar gewoon te voet over het strand. Een gewone man in een spijkerbroek en een schipperstrui, die niet op of omkijkt en op de maat van het liedje zijn voetstappen in het zand drukt. Hij draagt een houten, met schelpen versierde stok en een grote plastic boodschappentas. Keizer blijft de zingende man nakijken tot deze uit zijn blikveld is gemarcheerd. Langzaam vervaagt het liedje weer tot een zacht zingen. Keizer is nieuwsgierig waar de zingende man naar op weg is en hij zou hem graag van een veilig afstandje een eindje gevolgd zijn, maar hij moet naar school. Hij is al aan de late kant.
Hij loopt het duin af en beneden aangekomen begint hij te rennen. Op het paadje naar zijn huis waar zijn fiets staat, blijft hij plotseling staan. Hij betrapt zich erop dat hij al een poosje het liedje van de man op het strand aan het neuriën is. Het zit in zijn hoofd en moet eruit. ‘En zo rijden wij te paard,’ zingt hij. ‘Op een ezel zonder staart.’

Uit: Keizer en de schelpenzanger, Leopold 2005. Met illustraties van Annette Fienieg.


Het grote boek van Kuik en Vark is een bundeling van alle eerder verschenen verhalen over Kuik en Vark ( Kuik en Vark en het vergeten verhaal , Kuik en Vark en de verdronken maan en Kuik en Vark ), aangevuld met een aantal nieuwe verhalen. Annette Fienieg heeft het boek opnieuw en rijkelijk geïllustreerd.




Een lange dag


Het is vroeg in de morgen. De zon schijnt door een kier van het gordijn, precies op het gezicht van Vark.
‘Opstaan, Vark,’ lijkt de zon te zeggen. ‘De dag is begonnen.’
Vark stoot zijn vriend aan.
‘We moeten eruit, Kuik,’ zegt hij.
‘Wie zegt dat?’ mompelt Kuik.

‘De zon zegt dat.’
‘De zon kan zoveel zeggen!’ zegt Kuik.
Hij draait zich om en gaat met zijn rug naar Vark liggen.
Vark heeft ook geen zin om nu al op te staan. Wat duurt een nacht toch kort, denkt hij. Veel korter dan een dag. Een dag duurt lang.
Met zijn armen onder zijn hoofd vraagt Vark zich af hoe lang een dag duurt. Zo lang als de weg naar Haas aan de andere kant van de heuvel, denkt hij. Of nee, langer nog. Zo lang als de rivier waarlangs de Rat van Weinig Woorden woont. Wat lang! Veel te lang! Wat kan er niet allemaal gebeuren op zo’n lange dag! Hij kan een been breken, of erger nog twee benen. Wat erg! Dan kan hij niet meer lopen en dan moet Kuik voor hem opstaan en die kan dan ook allebei zijn benen breken, dan kunnen ze allebei niet lopen, dan moeten ze voor altijd blijven liggen waar ze liggen, op de koude keukenvloer, en dan krijgen ze honger, maar dan kunnen ze net niet bij de trommel met koekjes en als ze er wel bij kunnen is de trommel natuurlijk net als altijd helemaal leeg gegeten en ze kunnen geen nieuwe koekjes bakken, niet met twee gebroken benen, niemand kan met gebroken benen koekjes bakken, je kan bijna niks met twee gebroken benen, alleen maar liggen en pijn lijden en verhongeren. Je kan natuurlijk wel help! roepen, dat gaat wel met twee gebroken benen, maar niemand die je hoort, want je stem klinkt zwak van de pijn en je hebt er ook niks aan als er toevallig iemand langskomt, want je ligt daar maar op die koude keukenvloer grond, te jammeren van de pijn, je kunt niet even opstaan en opendoen, dat gaat niet met twee gebroken benen! Wat een ramp!
‘Ik sta niet op,’ roept Vark.
‘Mijn idee,’ mompelt Kuik.
‘Opstaan is gevaarlijk,’ zegt Vark.
‘Gevaarlijk?’ zegt Kuik.
‘Je kunt je benen breken,’ zegt Vark. ’En dan blijf je liggen waar je ligt en dan ga je dood van de honger.’
‘In bed?’ vraagt Kuik.
‘Op de keukenvloer,’ zegt Vark. ‘In bed lig je goed, in bed kun je slapen en dromen, bijvoorbeeld van Groene Poes, dat ze bij ons op bezoek komt, met een mooie bos bloemen en dan gaan we gezellig thee drinken en koekjes eten, zoveel als we willen. En dan zegt Groene Poes: ‘Wat zijn jullie tweetjes toch lief!’
Vark bloost van zijn eigen woorden, want ook al zegt Groene Poes in een droom dat ze lief zijn, ze zou het in het echt ook kunnen zeggen.
Dat vindt Kuik ook.
‘Misschien gaat nu op dit moment Groene Poes wel naar ons op weg, met een bos bloemen.’
‘Hoelang duurt het dan voor ze hier is?’ vraagt Vark.
‘Een halve dag,’ zegt Kuik.
‘Een halve dag?’ roept Vark. ‘Dan hebben we nog maar net genoeg tijd om koekjes voor haar te bakken, maar dan moeten we wel nu opstaan, Kuik!’
‘Ga jij maar eerst,’ zegt Kuik. “Dan blijf ik nog even liggen.’
‘Tot de koekjes klaar zijn zeker!’
‘Om je te hulp te komen, als je je benen breekt.’
‘Wat lief!’ zegt Vark. Hij slaat het dekbed open en begint aan een lange, lange dag.

Uit: Het grote boek van Kuik en Vark, Leopold 2005. Met illustraties van Annette Fienieg.


Keizer en de knikkervis is het tweede boek over Keizer een fantasievol jongetje van acht jaar dat met zijn vader aan de rand van het bos woont, net achter de duinen. Keizer heeft een geheim vriendinnetje Roos, dat zomaar van de ene op de andere dag is verhuisd, zonder dat iemand weet waar Roos naar toe is verhuisd. Het heeft iets met haar vader te maken die bakker is en schulden heeft en daarvoor gevlucht schijnt te zijn. Keizers vader is hoedenmaker, hij verkoopt zijn hoeden aan huis en als hij ziek wordt maakt Keizer zich zorgen. Moet hij net als Roos ook gaan verhuizen? Op een dag hoort hij dat mensen in de kerk soms een kaarsje branden en een wens doen. Dat gaat hij ook doen.

Rechts van het grote altaar is een zijaltaar. Daar branden kaarsen bij een Mariabeeld. Naar haar is de kerk genoemd: Onze Lieve Vrouwe. Maria ziet er inderdaad lief uit, vindt Keizer. Ze heeft een lieve glimlach om haar mond. Hij pakt een kaars uit de bak en wil hem aansteken. Dan ziet hij opeens wat er op de zijkant van de bak staat: 50 cent. Het kost geld en hij heeft geen geld. Niet bij zich. Wat nu? Zou het voor één keer gratis mogen? Of is dat stelen en werkt het dan niet?
Keizer kijkt omhoog naar Maria, alsof hij van haar een antwoord verwacht. Ze kijkt zo lief, het mag vast van haar, denkt Keizer. (...) Dan haalt Keizer zijn knikker uit zijn zak.
'Kunt u hem goed zien, Maria? Het is een heel bijzondere knikker. Een keizer. Ik heet ook Keizer, omdat ik met de keizersnee ben geboren. Eigenlijk heet ik Arie, maar zo noemt niemand me. Mijn vader is ziek, hij heeft longontsteking, en nu kan hij geen hoeden maken. Dat moet niet te lang duren, want anders verdient hij niks. En dan kan hij schulden krijgen, net als de vader van Roos. Die is door het lint gegaan. Ze zeggen dat hij te veel maanzaad heeft gegeten, daar kun je gek van worden. Mijn vader maakt hoeden. Vroeger kon je daar ook gek van worden, heeft hij me pas verteld. Echt waar, dat kwam van het kwik dat ze gebruikten om hoeden te stijven of zoiets. Dat is giftig. Als je daar teveel van inademt, word je ziek. Hoedenmakersgekte het dat. Maar dat heeft mijn vader niet. Hij moet wel beter worden, hoor. Anders moeten we verhuizen. En ik wil niet verhuizen. Dan weet niemand waar je bent. Weet u waar Roos is?'

Uit: Keizer en de knikkervis , Leopold 2004. Met illustraties van Annette Fienieg.
Keizer en de verhalenvader. Keizer woont met zijn vader aan de rand van het bos, net achter de duinen. Zijn moeder heeft hij nauwelijks gekend, maar ze leeft voort als zeemeermin in een van de vele verhalen van zijn vader. Soms, als Keizer op zijn geheime plek in de duinen uitkijkt over zee, hoopt hij dat zijn moeder zal oprijzen uit de golven. Tegen beter weten in. Want van zijn vader weet hij: het leven is een verhaal, maar niet altijd een sprookje...

Keizer van het duin

Hier zit Keizer het liefst. In zijn eentje. Dit is zijn plek. Eeen paar maanden geleden heeft hij hem ontdekt, na een ruzie met zijn vader. Waarover de ruzie ging, weet hij niet meer. Hij weet alleen dat hij heel erg boos was. Hij was het huis uitgestampt en had zich willen opsluiten in de schuur achter in de tuin, maar op het laatste moment had hij daarvan afgezien (...), Hij wilde liever wat langer boos blijven. Hij was doorgerend, de tuin uit. Maar goed ook, anders had hij zijn lievelingsplek in de duinen misschien wel nooit ontdekt.
Hier op het duin kan niemand hem zien en hij ziet alles. Ik ben er wel, ik ben er niet, zo voelt het. Hij heeft een prachtig uitzicht over het strand beneden hem en over de zee die altijd dezelfde is, maar er elke dag weer anders uitziet.
Vandaag is de zee leeg en grijs als potlood. Er staat nauwelijks wind en niets beweegt. Keizer is er stiol van. Maar nog niet stil genoeg, vindt hij. Hij zou een steen moeten zijn. Eeen steen ís er en meer niet. Zoals het strand en de zee er zijn en de meeuwen boven de zee.
Als hij zou zou blijven zitten, zou hij vanzelf een steen worden, hij weet het zeker. Net zo zeker als hij weet dat hij kan vliegen, ook al gelooft niemand hem. Zelfs Roos niet en Roos is zijn vriendinnetje. In het geheim.
'Ik kan vliegen, niet doorvertellen.'
'Dat geloof je zeker zelf.'
'Ik gelóóf het niet, ik weet het zeker.'
'Laat eens zien dan.'
Hij had geweigerd. Hij wilde best een keertje vliegen, maar niet om te bewijzen dat hij het kon. Voor haar niet, voor niemand niet. Dan ging het niet.
Maar hij weet het zeker: er komt een dag dat hij loskomt van de grond en zomaar wegvliegt. Alsof het niets is.

Uit: Keizer en de verhalenvader, Leopold 2002. Met illustraties van Annette Fienieg.


Leve het nijlpaard! is een verzameling grappige, vrolijke, absurde en ook ontroerende kinderliedjes die Harrie Jekkers en Koos Meinderts schreven voor onder ander Klein Orkest en Kinderen voor Kinderen. De bundel bevat naast losse teksten ook liedjes van de CD Roltrap naar de maan, Olie Bol van Krentenkoek en Er ging een vis uit fietsen.




Zoals de zee


Het was een warme zomerdag
Het bleef nog heel lang licht
We hadden thuis weer ruzie
Ik sloeg de voordeur dicht.
Ik ben op de fiets gestapt
En trapte blind vooruit
Het liefste fietste ik
Die dag de wereld uit.
Ik fietste naar de duinen
Mijn woede fietst mee
Ik stopte op de hooste top
En toen zag ik de zee.

Zoals de zee daar lag
Die mooie zomerdag
Ik wou dat ik zo was
Een rimpelloze plas.
Het lukt mij nooit om kalm te blijven
Ook al neem ik het me voor
Er steekt altijd wel een storm op
En die raast en tiert maar door.
Dan ben ik niet te houden
Dan sla ik om me heen
En gaat de wind weer liggen
Voel ik me hopeloos alleen.

Ik bleef nog heel lang kijken
Naar die rimpelloze zee
Het was al bijna donker
Toen ik naar huis toe reed.
Mijn moeder stond te wachten
Ik dacht nu zwaait er wat
Maar mijn moeder die moest huilen
En noemde mij een schat.
Ik zei dat ik heel moe was
Ik wilde graag naar bed
Mijn vader heeft mijn fiets
In het schuurtje weggezet.
In bed sloot ik mijn ogen
En weet je wat ik zag:
Een rimpelloze zee
Op een ware zomerdag.

Zoals de zee daar lag
Die mooie zomerdag
Ik wou dat ik zo was
Een rimpelloze plas.
Het lukt mij nooit om kalm te blijven
Ook al neem ik het me voor
Er steekt altijd wel een storm op
En die raast en tiert maar door.
Dan ben ik niet te houden
Dan sla ik om me heen
En gaat de wind weer liggen
Voel ik me hopeloos alleen.

Uit: Leve het nijlpaard! De Harmonie 2001. Met illustraties van Annette Fienieg.


De club van lelijke kinderen verscheen voor het eerst in 1987. Het boek is regelmatig is herdrukt en is in twee pocketversies verschenen, als Boektopper en als Jonge Lijster (2006). Het boek is in 2004 door Koos Meinderts en Harrie Jekkers bewerkt tot musical voor jeugdtheater Hofplein, waarna verschillende jeugdtheatergroepen het op hun repertoire zetten.
De club van Lelijke Kinderen gaat over een fictief land waar generaal Isimo op slinkse wijze aan de macht is gekomen. Hij maakt korte metten met loslopende honden en katten, zwervers en straatmuzikanten. Alles wat lelijk is moet weg, dus ook de lelijke kinderen. Onder het mom van een schoolreisje worden ze opgepakt en met bussen afgevoerd naar een geheime locatie. Paul en Ellen weten te ontsnappen en duiken onder bij een wel heel bijzondere vrouw.

Een extra journaal

En het gebeurde in die dagen dat er een bevel uitging van generaal Isimo om alle lelijke kinderen van het land op te pakken. Het bericht dat werd uitgezonden in een extra journaal, sloeg in als een bom en stichtte alom verwarring. Onmiddellijk nadat generaal isimo was uitgesproken met de bekende woorden: 'Ik heb gezegd. Punt uit!' brak er in duizenden huiskamers een oorverdovend lawaai van stemmen los.
'Waanzin!' klonk het in menig huisgezin. 'De generaal is gek geworden!'
Maar er waren ook andere geluiden te horen: 'Het werd tijd! Voor mijn part zetten ze in één moeite door alle kinderen achter slot en grendel.'
In weer andere huiskamers gingen stemmen van ongeloof op: 'Is het niet wat vroeg in het jaar voor een 1-april grap?'
En ten slotte waren er mensen die zeiden: 'Ze doen maar. Ik heb geen kinderen.'
(...)
Een week verstreek en geleidelijk aan begonnen de meeste mensen het bevel te vergeten. Het leven hernam snel zijn gewone gang. (...) Totdat op zekere dag, een maand na uitzending van het extra-journaal, in elk huis van het hele land een brief door de brievenbus gleed van niemand minder dan generaal Isimo.

Uit: De club van lelijke kinderen, Ploegsma 1987. Met illustraties van Annette Fienieg.

Archief